dinsdag 20 november 2012

Sint en Piet in het Alblasserbos

Zondagmiddag in het bos. De zon schijnt. Even de jongetjes luchten, niet te ver weg en niet te lang. Koen en Aart willen wel mee maar dan verkleed als Sint Aart en Piet Koen. 
Geen probleem, dat mag. Natuurlijk, wie wil dat missen?
Buiten de voordeur ontdekken de broertjes een dood salamandertje. Platgetrapt tussen de grindtegels, en niet meer los te peuteren, constateert Sint. We zijn net te laat, zijn vingertje zit al onder het lijkje. Gauw naar het bos maar. We lopen bij Oud-Alblas het bos in. Wat een natte blubberzooi, zeg. Ik wist niet dat er zoveel regen gevallen was, zegt Elske. En ik wilde dat ik mijn waterdichte boswachterslaarzen aan had getrokken.
Sint en Piet rennen voor ons uit. Op een bankje zit een man voor zich uit te kijken. Net voor zijn voeten staan de jongetjes stil. De man kijkt op. "Nee maar, Sinterklaas en Zwarte Piet!", doet hij verbaasd. Wij lachen met hem mee. Op zo'n ontvangst zijn Koen en Aart niet voorbereid, ze bewegen zich achterwaarts. Aart, onze dappere driejarige goedheiligman, aarzelt en doet een stapje terug in de richting van de man op het bankje. En hij zegt met nadruk: " Wij sjijn niet ECHT!"





maandag 19 november 2012

Jachtseizoen

Het is donker in de zitkamer en middernacht. Ik ben speciaal voor mijn mobiel van tweehoog gekomen: dat ding moet me morgenochtend tijdig wekken, ik kan niet zonder wil ik de dag op een effectieve manier beginnen. Op het moment dat ik het licht aanknip zie ik hem. Of haar. Muis doorkruist razendsnel en zonder geluid de kamer en verdwijnt achter de bank. Ik ben niet bang voor muizen of in het donker en toch staat acuut het kippenvel op mijn kuiten. Met een grinnik graai ik mijn foontje van de tafel en verdwijn naar bed. Wacht jij maar. Jij krijgt nog een staartje.

Een dag later staat Huize Mol in het teken van de wapenstilstand. Sint arriveert in het land. Koen en Aart komen bij oma logeren en mogen hun schoentjes zetten. Muis verkeert een nacht in het gezelschap van twee chocoladeneven en een paar handjes strooigoed. Je reinste hapjesbuffet. 


Terwijl de broertjes 's morgens zingend bij hun schoentjes neerzakken speur ik omzichtig naar keutels, maar niks. Geen spoor van Muis bij de open haard of in de vensterbank, overal waar ik gisteren de stofzuiger nog door heb gehaald. Oma kan gerust zijn, de hygiënecode  wordt hier niet geschonden. Koen en Aart smikkelen onbezorgd van al het lekkers. En ergens zit Muis zich te verkneukelen, ik voel het. Ik geef hem nog een dag.

Een etmaal later. De jacht wordt geopend. Vier vallen van de vorige aanval, waar heb ik ze gelaten? Ik vind ze onderin de kast en stal mijn rijkdom uit op het aanrecht. Pindakaas, worst, kaas, ik laat me van mijn beste kant zien en bereid Muis royaal een feestmenu als beoogd galgenmaal. De presentatie moet het afmaken. Net echt. We beginnen met een voorafje. Uiterst behoedzaam vul ik twee vallen met een likje pindakaas-met-nootjes,  stel ze op scherp en plaats ze links en rechts van de bank. Niet in de buurt van gordijnen of vitrage, ooit moest ik het muizenbloed van een muur vegen en die smeerboel - daar heb ik geen zin in.

Zie zo, en dan nu een hoofdgerecht met kaas en worst. Wat ben ik toch gul. De valletjes op scherp - daar ga ik. Met in iedere hand een hapje, van de keuken naar de kamer. Links worst, rechts kaas, vandaag maak ik voorgoed korte metten met de vraatzucht van onze muisgenoot. 
Voorzichtig ga ik door mijn knieën  - o ja, mijn rug. Die vergeet ik steeds. Ik wankel een tel, zoek mijn evenwicht. En met twee scherpe knallen klappen tegelijk allebei de vallen dicht.
Van de schrik zak ik plat op mijn gat, houd dapper nog de twee vallen omhoog - schiet onbedaarlijk in de lach.

 Zit je vinger er nou tussen?, informeert Arie verschrikt van achter de tv. Nou nee, gelukkig niet, zeg. Letterlijk niets aan de hand. Zelfs kaas en worst zitten nog op hun plek. Ik voel mijn rug, ja - maar dat was al. Inmiddels geroutineerd stel ik nogmaals de valletjes op scherp en schuif ze, iets voorzichtiger nu toch maar, naar een mooi plekje. 

En nu maar afwachten. Wat zal ik lekker slapen vannacht. 

zaterdag 17 november 2012

Uit het archief. Hoe ik voor het eerst op Station Zwijndrecht belandde


Retourtje Nieuw-Lekkerland - Amsterdam 
februari 2012

6.30 u: de wekker. Keurig op tijd om bus 90 van 7.20 u te halen. Ware het niet dat die doorrijdt en me bij de halte laat staan. 
Zes minuten later stap ik in bus 19, en zo reis ik via Dordrecht i.p.v. Utrecht naar Amsterdam. Geen bus maar trein vandaag. Vanuit mijn plaatsje bij het raam zie ik de zon stralend opkomen boven een witte wereld. Ik probeer intussen mijn huiswerk te redden. Duizend woorden, waar haal ik ze vandaan? Bij zeshonderd ben ik in Amsterdam.


Onze studiedag is als steeds intensief en leerzaam. Kwantitatief onderzoek, daar heb ik geen aanleg voor geloof ik. Vervolgens het hoorcollege over leerperspectieven en veranderingen, precies onder mijn after-dinner-dip. En dat zonder dinner.


De terugweg voert me door Warmond, waar mijn moeder woont.
 Eerst weer de trein. Ik zie de zon prachtig onder gaan boven een witte wereld. Jammer, geen camera bij me. Dan de bus. Die rijdt net voor mijn neus weg. De tweede al vandaag. Weer wachten. Bij de Hema van station Leiden koop ik tussen de bedrijven door een paar handschoenen. Ik heb een paar aan met bij elke vinger een gat, warm is anders bij min acht.

Het wooncomplex waarin mijn moeder huist ligt tien minuten wandelen van de weg. Ik zie mezelf lopen. Met mijn rode wielenkoffertje door het bos. In mijn eentje door de sneeuw. Net een verhaal van W.G. Van der der Hulst. 
Zoals je van dit verhaal mag verwachten word ik door mijn moeder onthaald op een heerlijk avondmaal van aardappeltjes met prei en een balletje gehakt. Zelf kook ik dat zelden. Alleen daarom al dubbel lekker.


Dan is het tijd om mijn reis te vervolgen. De wandeling, de bus, de trein. 
Nu heb ik vandaag al meer getreind dan me lief is: met dit weer kan je beter in de bus zitten. Die rijdt tenminste, ook al liet hij mij vanochtend dan in de Dorpslaan staan. 
Afijn, de trein, ik was er al bang voor. De intercity van Leiden naar Dordt rijdt vanavond niet verder dan Zwijndrecht, terwijl hij daar officieel nooit stopt. Laat me raden: wisselstoring. 


Ik bel mijn eigen chauffeur thuis, hier sta ik, ik kan niet anders. Uitgerekend hier. Hij komt me halen. Wat bof ik toch.
 Op het moment dat ik mijn OV-pas langs de scanner haal en zo mijn reis beëindig hoor ik een stem: "Dames en heren, de intercity uit Leiden die zojuist op spoor 2a is gearriveerd vertrekt over enkele minuten naar Dordrecht." Ik zou het niet geloven als ik het niet zelf gehoord had.



We rijden de polder weer in. Min dertien is het buiten. Binnen een graad of achttien, en we rijden tot vlak voor de deur. En daar kan geen trein of bus tegenop.



vrijdag 16 november 2012

Op naar het hoorcollege

Het begint al goed. De wekker loopt af en ik kan er niet bij. O ja, m'n rug, ik weet het weer. Dat kost me tijd. Ik besluit een bus later te nemen. Gun mezelf iets meer respijt. Dan douchen, ook al zo'n klus. In en uit het bad stappen - voorzichtig! Bij het afdrogen van de laatste twee tenen gaat het mis. Krak!, hoor ik. En voel ik. Zucht. Dit wordt dus dag drie met beperking. Liggen en lopen is het devies maar voor allebei heb ik geen aanleg en geen tijd. Aanpassen dan maar. Creatief aankleden, ik ben er razend handig in. Hoe krijg je je sokken aan als niet bij je voeten kunt? Ik weet het.

Ineens is het de hoogste tijd voor de bus. Zeven minuten lopen zegt de planner, maar hoeveel heb ik er vandaag nodig? De container moet aan de weg gezet en ik wil Arie gedag zeggen. De container staat in de garage en Arie ligt tweehoog. Ik kies voor Arie en verzoek hem als afscheid of hij de container vooral niet wil vergeten. Uiterlijk half negen, bezweer ik hem, en hompel de trap af. Tabberd om, koffer in de aanslag, daar ga ik weer. Het is droog buiten, en al licht. Het voordeel van een busje later. Lopen is goed voor me, het gaat bij elke stap iets beter. Op de hoek staat de vuilniswagen. Nu al!! Ik trek mijn mobiel en bel Arie. Twee keer overgaan en hij neemt op, deze tijd associeert hij met een sterfgeval. Ik meld hem de actuele feiten en hij belooft me te doen wat hij kan. Wat dat ook zijn mag. Wedden dat hij diep zucht als hij opgehangen heeft?

Ik ben op tijd, de bus ook. Zitten is minder prettig. Mijn stoel gaat heen en weer en dat moet ik vandaag niet hebben. Ook mijn handzame koffertje kiest ineens zijn een eigen weg, ik moet 'm blijvend vasthouden. Ik zet alle spiertrainingen in die ik me kan herinneren. Tanden op elkaar bij de bochten. Ik voel me een mislukte acrobaat. Krampachtig glimlach ik naar de eigenares van de knieën tegenover me. Ze lijkt dwars door me heen te kijken. Kennelijk val ik niet op, constateer ik een tikje opgelucht en zit dapper mijn reis uit.

Bij het station knik ik mijn buurvrouw bij het raam bemoedigend toe: ga jij maar eerst. Voordat ik rechtop sta is zij al buiten. "Struikelheul" noemde Kees van Kooten het ooit. Bewegingen die je expres maakt om te verhullen dat je een stomme beweging maakt. Als het extra huppeltje na een verstapping. Zoiets voel ik als ik met uiterste krachtsinspanning een ontspannen exit uit de bus in scène zet. Met een babbeltje voor de chauffeur hou ik mijn kaart voor de scanner. In werkelijkheid rek ik de tijd voor mijn volgende stap: hoe kom ik zo onopvallend mogelijk buiten?

Een bus later betekent ook een trein later. Zou die ook op spoor één vertrekken? Niet elke intercity stopt in Sloterdijk. Ik vraag het even na bij de informatiepost. Als ik het niet dacht, spoor drie over zes minuten. Trap af, trap op, ook dat nog. Ik bedank met de glimlach die ik niet voel, hijs het handvat van m'n koffer tot schouderhoogte en laat me van de trap zakken. Links en rechts word ik ingehaald door rennende mensen, ik heb de neiging om mee te gaan rennen. Kon ik het maar. De trein staat keurig klaar en ik vind een mooi plekje voor mijn koffer en mij. Omzichtig ga ik zitten. Ik vis mijn iPad tevoorschijn. Even schrijven.

Aan de overkant van het gangpad zitten twee puberjongens, petten op. Een van hen laat een vette boer. Ik ben omgeven door een walm van Redbull, met een grijns wuif ik die weg. De jongens hebben me door en lachen terug. Lollig stel. Bij het volgend station zijn ze weg. Nu zit er een man met een beat in zijn oren die mijn softe iPodmuziekje zwaar overstemt. Ik kijk, kijk nog eens en als hij me opmerkt maak ik een gebaar waarvan ik hoop dat hij die begrijpt. Ja hoor, hij glimlacht en ik hoor hem niet meer. Ik beloon hem met mijn beminnelijkste smile. Hoop ik. De echte ochtendspits lijkt voorbij, het wordt rustig in de trein. Tegenover me zit een meisje te lezen, haar jas als een dekentje over haar knieën. Zelf heb ik mijn behaaglijke wollen ruitje. De coupé ademt nu de sfeer van een welnessinstituut, hoe komt dat? Naast me zit een jongedame haar handen in te smeren met een geurige handcrème. Ik onderdruk de neiging om haar ook een likje te vragen; dat geeft maar vegen op mijn scherm en ik zit net zo lekker te schrijven.

Hey, zit ik zo lekker te schrijven? Kijk, dat maakt me nou blij na de moeizame start van deze morgen. Dan zal het met de rest van de dag ook wel goed komen.
Ik ben er. Op de trap in de trein ga ik nog bijna onderuit, de jongeman achter me glimlacht verschrikt. Weet hij veel aan welk gevaar hij ontsnapt. Bijna verpletterd onder mijn gewicht….




dinsdag 13 november 2012

Lekker bezig

Dinsdag studiedag.Uitslaapdag. Om half acht de wekker - gisterochtend om half zes, vandaar.

Ik doe van alles behalve studeren. Koffie, ontbijtje, mail doornemen en beantwoorden, was in de droger, wasje ophangen, de frituurkleren van Jorien wassen en ophangen (die komen niet verder dan de garage, leuk een baantje in een cafetaria), Arie adviseren bij het Facebooken want op dat gebied ben ik zijn expert en hij wil zijn catechesegroep van vanavond tijdig informeren.... Stuk voor stuk zinvolle zaken. Maar geen studie.

Ik moet even een lijstje maken met alles wat ik vandaag wil doen. Nakijkwerk. Sinterklaas voorbereiden. Boodschapjes. Pinnen. O ja en studeren. Analyseplan afmaken. Essay schrijven over het laatste hoorcollege, vrijdag moet het ingeleverd zijn. Kwart voor elf, oef dat is het al bijna: mijn afspraak bij de praktijkondersteuner van de huisarts voor de cardiovasculaire risicocontrole. We wonen er tegenwoordig zowat naast, twee minuten voor tijd spring ik op de fiets. Met bonzend hart zit ik in de wachtkamer. Mijn bloeddruk, hè. Ontspan, ontspan, hou ik me voor.

Het consult begint zoals alles hier met kennismaken. Hoe vaak verhuisd? En waarheen? De hamvraag: went het al? Ik heb geen klagen, alles in huis staat min of meer op zijn plek, in de kerk raak ik al aardig thuis, voor de boodschappen weet ik inmiddels waar ik moet zijn, ik verveel me nooit en ik heb nog steeds mijn leuke baan. En mijn inspirerende studie waar ik dag en nacht mee bezig kan zijn. En een hoge bloeddruk. Daarom zit ik hier.

De bloeddruk valt mee en niet een beetje. Feestjeeeeee! 104/86 na twee keer meten. Dat is wel even anders dan 135/100 bij de bloedbank, twee weken terug. Jubelend stap ik op de weegschaal. Die slaat bijna door maar dat deert me -vandaag- niet. Alle overige controlefactoren eindigen hemelhoog in mijn voordeel: buikomvang, roken, drinken, bewegen, eetgewoonten, alles is groen. Joehoeeee! Alleen mijn cholesterol zou lager kunnen en daar heb ik dan weer professioneel verstand van, wat een bof. Komt goed!

Zingend neem ik afscheid, over een jaar terugkomen, wie dan leeft wie dan zorgt. Ik klim op mijn fiets, gauw naar huis, naar Arie, dit moet ik vertellen. Hij is vast net zo blij als ik. 104/86!!

Helaas, ik moet het goede nieuws nog even bewaren, het huis is leeg. Lekker rustig, dat wel. Even iets drinken. Een gezond kopje thee. Mijn ogen vallen dicht, hoe kan dat nou? Ik heb nota bene uitgeslapen. Ik laat me in m'n luie stoel zakken voor een verantwoord een ontspanmomentje. Dit moet ik gewoon vaker doen, dit is heel gezond.

Ik concentreer op m'n ademhaling, slaap ik, denk ik nog? Heerlijk even zo. Het tikken van de klok naast mijn hoofd is het enige geluid. Niet dus. Heb ik weer. Het is twaalf uur en dat zal ik weten. Bim bam bim bam.... Weg ontspanning, ik schiet in de lach.

Zo laat al? Ik moet - en daar gaan mijn gedachten alweer.
Ik ga ze eerst opschrijven. In een blog.

Nu!

dinsdag 6 november 2012

Tabberd uit Schotland


Dinsdagmiddag. Ik fiets naar school. En ik heb haast. Op mijn agenda staan een tweetal spannende  gesprekken die bij mijn onderzoek horen.

Doe ik mijn jas aan op de fiets, vraag ik me af? Nou nee, het is droog, de zon schijnt: ik sla mijn geruite souvenir uit Schotland om, de deken die zo lekker warm blijkt op de fiets. Geen ge-emmer met mouwen, gewoon hup, omslaan, andere flap ertegenin mikken, klaar. Er hoort nog een kilt-speld bij maar die is in Edinburgh op de toonbank blijven liggen. Niks erg, ik kan zonder speld.

Vlotjes trap ik over de dijk, de brug maakt het nog even spannend. Als ik bijna boven ben heb ik de zekerheid: die gaat me niet meer vertragen door open te gaan, zoals de vorige keer. Tien minuten onthaasten terwijl je geen tijd hebt, hoe doe je dat? Daar hoef ik me dus niet mee bezig te houden. De brug af is een makkie. Achter me hoor ik een scooter pruttelen. Die durft me niet in te halen en ik weet ook waarom. Als bij de Sint te paard zo wappert mijn geruite tabberd achter me aan. Ik graai mijn lap bij elkaar en maak plaats om te passeren. Voorzichtig manoeuvreert mijn achterbuur zich naar voren, kennelijk wappert er nog meer dan ik in mijn hand heb.

Ben ik niets vergeten, overweeg ik, terwijl ik geniet van de zon op mijn gezicht en de wind door mijn haar. Volgens mij heb ik alles bij me. IPad, microfoontje, documenten. Eén kleinigheidje heb ik helaas over het hoofd gezien – mijn elektrische fiets is vannacht niet opgeladen. Tevreden stel ik vast dat ik dit slim oplos, de accu reist mee in mijn fietstas: op school even aan het stroominfuus en ik trap straks moeiteloos naar huis. Drie uur later rijd ik de school uit.

Rijd de school uit, ja, want ik heb volgens plan  mijn rijwiel naar binnen meegenomen en in het kantoor van Jaap-Willem aan het stopcontact gekoppeld. Moet dat?, vroeg hij korzelig. Ik hield hem de doos met chocola voor die ik voor mijn respondenten meenam. Niemand heeft er toch last van. Moet kunnen. Fiets in de hoek, snoertje er aan, knopje aan, simpel: klaar! Dacht ik. Dat het iets anders in elkaar stak wist ik toen nog niet.

Half zes. Door de klapdeuren wring ik mijn fiets naar de hal en naar buiten, ik groet de schoonmakers en wens ze een prettige avond. Buiten is het donker. En nat. Hier heb ik niet op gerekend, met mijn mooie wollen ruitjesdoek, kan die daar wel tegen? Geen nood, ik trek mijn regenponcho uit de fietstas. Hemelsblauw, de kleur van een zomerdag, ik word er in het geheim een beetje blij van als ik ‘m aantrek, wat voor weer het ook is. Een relaxed muziekje in m’n oor. Klaar voor de start.
Het regent harder dan de cape aankan, mijn broek wordt nat en niet zo’n beetje. Ook m’n haar – ik denk te laat aan de capuchon. Voor de regenbroek moet ik eerst mijn laarzen uittrekken en dat is een operatie die ik uitstel tot thuis. Dan maar nat. Ik durf niet te kijken hoe mijn tabberd zich houdt, zal hij niet krimpen van al dat water? Lekker warm is-t-ie wel, ik voel een zweetdruppel langs mijn rug kruipen. 

Hoe kan het eigenlijk dat ik het zo warm krijg? Tegen de brug op trap ik me een ongeluk en ineens weet ik het: ik heb daarstraks een knopje te weinig omgezet, de accu is niet opgeladen, maar gewoon leeg. Nu snap ik ook dat ik steeds word ingehaald. Dat gebeurt me niet vaak, als er ingehaald wordt dan doe ik dat. Geen paniek, spreek ik mezelf toe,  ik heb een goede dag en kan wel wat hebben. Ik peddel gewoon op eigen kracht naar huis. Dan duurt het maar wat langer, word ik maar wat natter. De brug op is zondersteund  nog een hele kluif. Onder mij zie ik de trage worst van auto’s die uit de tunnel gekropen komt: heerlijk toch dat ik niet in die file sta. Weet je wat, ik ga fijne dingen bedenken, een spelletje dat ik graag doe als ik de tijd moet doden.
Heerlijk toch dat ik niet in de file sta.
Heerlijk dat ik mijn regencape bij me heb.
Dat ik er straks uitzie alsof ik zo onder de douche vandaan kom.
Dat we bloemkool met varkenshaasje eten.
Dat ik nog een verjaardag heb vanavond.
Dat ik er bijna ben.

Als een verzopen kat fiets ik thuis het pad op. Wankel naar de garagedeur. Op slot. Ook dat nog. Ik ga toch echt mijn sleutel meer niet uit mijn tas vissen, ik vind mezelf zielig genoeg om …. Ik ga tegen de bel hangen, Jorien laat me binnen. Een warm onthaal. Ze is superblij dat ze me ziet want ze heeft allebei haar tentamens Engels gehaald. Waarmee ze niet meer dan één herkansing overhoudt aan haar toetsweek. En de bloemkool ligt al in de pan. Samen maken we het eten klaar, samen eten we het op. Heerlijk toch.

Ik ben lekker opgedroogd, haal mijn tabberd uit Schotland weer tevoorschijn en ga gezellig naar de verjaardag van Wilma. Met de auto.

zondag 4 november 2012

Rustig zondagje


Tot September 2013 zitten al mijn dagen volgepland met studie. Leuk en inspirerend, zo’n Master, maar je moet niet  verhuizen. En als je toch verhuist moet je nergens moeilijk over doen. Alles laat je door vrienden en familie in de kasten mikken, en in september 2013 ga je kijken wat er allemaal ligt.

Zo staan de zaken er hier ongeveer voor. Ieder vrij moment is bestemd om te schrijven. Interviews, analyses, literatuur, allemaal even interessant – en veel. Vooral véél. Voor ik het weet is een dag voorbij, de vakantie om, het jaar afgesloten. Logeerpartijtjes zoals we die in het vorige huis, in mijn vorige leven, kenden – even snel een kleinkind voor een nachtje inparkeren en daar van genieten, een rondje op de fiets met een zingend ventje aan je stuur: bij de gedachte word ik al sip want ik heb er geen tijd voor. Nu even niet.

Afgelopen week fietste ik met Elske mee naar de bieb, zij met Aart en ik met Koen achterop. Oh, wat kan ik daar toch van blij van worden. Vier minuten heen, tien minuten boeken zoeken en vier minuten terug, met als toegift een Senseootje voordat ik op huis aan ging. Als het dan niet groot kan moet het maar klein. Genieten waar het kan. Een half uur.

Zo ook dit weekend. Ik overwoog een logé maar ….. Jorien moest werken en Arie bereidde de Avondmaalsdienst voor. En ik schrijf, schrijf, schrijf. Nee, logeren – niet zo’n goed idee. Elske meldde zich met een blanco programma voor de zondag en daar groeide mijn plannetje waarmee mijn familiemes mooi aan twee kanten kon snijden: komen jullie hier eten, vroeg ik, en informeer eens wie er nog meer zin hebben? Tien minuten later wist ik dat ik elf man aan tafel kon verwachten. Een retourtje naar de supermarkt en een flinke graai in het schap met convenient food: ik was er klaar voor. Een keuzemenu van Tortellini met spinazie en Ricotta of Perline Pasta met basilicum en pijnboompitten, een grote bak sla erbij en kant-en-klare Tiramisu als dessert. Voor elk wat wils en ruim voldoende.
Voor  Koen en Aart toverde ik een gloednieuw doosje Playmobil met twee riddertjes uit de kast: voordat het uitgepakt was hadden ze al ruzie over het mooiste zwaard. Onder deskundige begeleiding van vader, moeder, opa, oma, tantes en ooms kwam het gelukkig allemaal goed en konden de ridders urenlang ten strijde trekken vanaf het plastic piratenschip dat ik vorig jaar op de rommelmarkt scoorde. Beetje jammer dat ridders en piraten hier altijd zoveel lawaai maken, maar ja wat wil je, een avontuur beleef je niet in stilte. We zijn er aan gewend geraakt en communiceren er behendig omheen.

Met de tafel en stoelen was het even rekenen. We hebben denk ik iets teveel weggegooid met de verhuizing. Eens zien (wanneer?? Help…) of er bij de kringloop nog een paar klapstoelen te bemachtigen zijn, en na de volgende zomervakantie houd ik de campingtafel uit de caravan. Maar dat we in dit huis vlakbij de keuken zitten is heerlijk makkelijk, en we passen met gemak in de grote kamer: dit kunnen we vaker doen. (... ik bereken alvast waar de box moet staan als straks kleinkind nr. 3 erbij is...)
En gezellig dat het was. Een gouden zondagmiddag waar ik weer weken mee toe kan! Samen eten, lachen, beetje gek doen, lekker bij elkaar zitten. Ik zuig het in me op als water in een droge spons en vind mezelf een slimmerd. Want nu heb ik ze in een klap allemaal om me heen, de mensen die me zo gelukkig maken. Studie-(o)ma, nog even volhouden.

Ik verheug me nu al op de herfstvakantie 2013. Bij leven en welzijn.